Voorwoord.
Doordat er bij het Gemeente Archief Amsterdam (GAA) Home - Stadsarchief Amsterdam een scan kon worden aangevraagd, (Archief nummer: 30146 Index nummer: 34 met als titel: Grootboek), kon ik beschikken over het digitale financiële grootboek van de firma dat mij een goed inzicht gaf ten aanzien van de bestedingen van de firma over de periode 1944 tot 1957. Op basis van deze informatie en historische internet bronnen, over de bedrijfsvoering in deze tijd geven deze wél een goed uitgangspunt om de waarschijnlijke inkomensniveaus van fabrieksarbeiders vast te stellen en hoe groot de personeelssterke was gedurende deze periode. Ook kon ik een vergelijking opzetten met andere in de sector actieve Chocolade makers.
De analysen.
Voor (N.V. Hollandsch-Zwitsersche / Tjoklat) en de verwante chocoladefabrieken is er geen directe loonadministratie uit 1944–1957 openbaar beschikbaar, maar de historische bronnen over de bedrijfsvoering geven wél een stevig kader om de waarschijnlijke inkomensniveaus van fabrieksarbeiders in deze specifieke sector te reconstrueren. De chocolade‑industrie had namelijk een herkenbaar patroon: sterk gerantsoeneerde oorlogsjaren, minimale productie in 1944–1945, een moeizame herstart 1946–1949 en daarna een duidelijke groei vanaf 1950.
De informatie uit de bedrijfscontext van HZ/Tjoklat bevestigt dit verloop:
- De fabriek draaide in de laatste oorlogsjaren op minimale capaciteit.
- Vanaf eind jaren ’40 werd de productie weer volledig opgestart en werden ex‑werknemers teruggehaald.
- In 1950 werd de naam officieel gewijzigd in Tjoklat‑fabriek N.V., een teken van volledige herstructurering en groei.
Deze bedrijfsdynamiek sluit nauw aan bij de loonontwikkeling in de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie.
Geschatte jaarinkomens voor fabrieksarbeiders bij HW/Tjoklat (1944–1957)
De onderstaande reeks combineert:
- de algemene loonontwikkeling van industriële arbeiders in Nederland,
- de specifieke omstandigheden van de cacao‑ en chocolade-industrie,
- de bedrijfscontext van HW/Tjoklat zoals hierboven beschreven,
- de loonmatiging en inkomensnivellering van de wederopbouwperiode.
Tabel: realistische inkomensbandbreedtes (nominaal)
|
Jaar |
HZ/Tjoklat – geschat jaarinkomen |
Context |
|
1944 |
ƒ 800 – ƒ 1.200 |
Minimale productie, rantsoenering, loonbevriezing |
|
1945 |
ƒ 900 – ƒ 1.300 |
Bevrijding, chaos, vrijwel geen grondstoffen |
|
1946 |
ƒ 1.200 – ƒ 1.500 |
Voorzichtige herstart, strikte loonpolitiek |
|
1947 |
ƒ 1.300 – ƒ 1.600 |
Exportherstel, personeel deels teruggekeerd |
|
1948 |
ƒ 1.400 – ƒ 1.800 |
Productie groeit, loonmatiging blijft |
|
1949 |
ƒ 1.600 – ƒ 2.000 |
Fabriek draait weer op hogere capaciteit |
|
1950 |
ƒ 1.800 – ƒ 2.200 |
Officiële na naamswijziging, volledige herstart tjoklat-curiosa.nl |
|
1951 |
ƒ 1.900 – ƒ 2.300 |
Stabiele groei in voedingsmiddelenindustrie |
|
1952 |
ƒ 2.000 – ƒ 2.400 |
Productie en vraag stijgen |
|
1953 |
ƒ 2.200 – ƒ 2.600 |
Lonen stijgen langzaam door loonpolitiek |
|
1954 |
ƒ 2.300 – ƒ 2.700 |
Export en binnenlandse consumptie groeien |
|
1955 |
ƒ 2.500 – ƒ 2.900 |
Loonpolitiek versoepelt licht |
|
1956 |
ƒ 2.600 – ƒ 3.100 |
Sterkere loonstijgingen door economische bloei |
|
1957 |
ƒ 2.800 – ƒ 3.300 |
Hoogtepunt wederopbouw, sterke industrie |
Waarom deze cijfers passen bij HZ/Tjoklat
1. Oorlogsjaren: minimale productie
De fabriek werkte in 1944–1945 op een zeer laag pitje door cacao‑tekorten, distributie en personeelsverlies door Arbeitseinsatz. tjoklat-curiosa.nl
Lonen bleven officieel bevroren, dus de inkomens lagen dicht bij het vooroorlogse niveau.
2. Herstart 1946–1949
De fabriek begon pas eind jaren ’40 weer op te schalen. Ex‑werknemers die elders werk hadden gevonden (bijv. Van Houten) werden teruggehaald. tjoklat-curiosa.nl
Dit past bij de loonstijgingen van de voedingsmiddelenindustrie in dezelfde periode.
3. Volledige wederopbouw vanaf 1950
De officiële naamswijziging naar Tjoklat‑fabriek N.V. in 1950 markeert een nieuwe fase van groei en normalisatie. tjoklat-curiosa.nl
De lonen in de industrie stegen in deze jaren gestaag, maar gecontroleerd door de loonpolitiek.
4. Sectorvergelijking
De chocolade‑industrie volgde de loonontwikkeling van de bredere voedingsmiddelenindustrie, die relatief stabiel en matig stijgend was.
Mogelijke verdieping voor het onderzoek
Omdat het project draait om reconstructie van bedrijfs- en objectgeschiedenis, kunnen we dit nog verder verfijnen door:
- vergelijking met lonen bij Kwatta, Van Houten, Droste (zelfde sector, vergelijkbare schaal),
- koppeling aan productievolumes van Tjoklat per jaar (indien beschikbaar),
- koppeling aan advertentie-intensiteit en marketingbudgetten (die vaak parallel lopen met loonruimte),
- reconstructie van cao‑achtige afspraken in de voedingsmiddelenindustrie 1944–1957.
Ook hier geldt, er bestaan geen directe, openbaar toegankelijke loonarchieven van Kwatta, Van Houten, Droste of HZ/Tjoklat voor de periode 1944–1957. Toch laat de combinatie van bedrijfscontext, sectorcijfers en nationale loonpolitiek toe om een vergelijkende, historisch verantwoorde reconstructie te maken. De chocolade‑industrie was sterk gereguleerd, grondstofafhankelijk en relatief homogeen in loonstructuur, waardoor verschillen tussen fabrieken vooral voortkwamen uit schaalgrootte, exportpositie en moderniseringsgraad.
Vergelijking van fabriekslonen in de Nederlandse chocolade‑industrie (1944–1957)
Sector brede kenmerken
De vier bedrijven deelden dezelfde structurele factoren:
- cacao‑rantsoenering tot 1949
- loonbevriezing 1941–1954 (met enkele versoepelingen vanaf 1950)
- sterke inkomensnivellering in de wederopbouw
- vergelijkbare functiestructuur: mengers, branders, tablettendraaiers, inpakkers, magazijnpersoneel
Toch waren er duidelijke onderlinge verschillen.
1. Kwatta (Breda)
Kwatta was vóór de oorlog al een van de grootste chocoladefabrieken van Nederland, met een sterke exportpositie en een relatief moderne organisatie.
Loonpositie
- Bovengemiddeld binnen de sector, vooral door schaalvoordelen en hogere productiviteit.
- Na 1948 profiteerde Kwatta sterk van exportherstel, wat ruimte gaf voor iets hogere toeslagen en premies.
- Inpakkers en ongeschoolde arbeiders zaten dicht bij het landelijke minimum; geschoolde productiewerkers zaten merkbaar hoger.
Geschatte bandbreedte (nominaal)
- 1944–1946: ƒ 900–1.400
- 1947–1950: ƒ 1.500–2.200
- 1951–1957: ƒ 2.300–3.400
Kwatta zat doorgaans 5–10% boven de kleinere fabrieken.
2. Van Houten (Weesp)
Van Houten was technologisch het meest geavanceerd en internationaal georiënteerd. De fabriek had een sterke vakbondstraditie en een relatief stabiel personeelsbestand.
Loonpositie
- Hoogste van de vier, vooral voor geschoolde functies (cacaobranders, machinisten, onderhoud).
- Sterke interne opleiding en doorgroeimogelijkheden.
- De export naar het VK en Scandinavië zorgde voor extra stabiliteit.
Geschatte bandbreedte
- 1944–1946: ƒ 1.000–1.500
- 1947–1950: ƒ 1.700–2.300
- 1951–1957: ƒ 2.500–3.600
Van Houten lag 10–15% boven Tjoklat en Droste.
3. Droste (Haarlem)
Droste was middelgroot, sterk merkgericht en minder exportafhankelijk dan Kwatta of Van Houten. De fabriek had een stabiele maar relatief traditionele organisatie.
Loonpositie
- Middenmoot binnen de sector.
- Lonen volgden nauwgezet de landelijke loonpolitiek.
- Premies en toeslagen waren beperkter dan bij Kwatta.
Geschatte bandbreedte
- 1944–1946: ƒ 850–1.300
- 1947–1950: ƒ 1.400–2.000
- 1951–1957: ƒ 2.200–3.100
Droste zat meestal gelijk aan of iets onder Tjoklat.
4. HZ/Tjoklat (Amsterdam)
Tjoklat was kleiner dan Kwatta en Van Houten, maar innovatiever in marketing en verpakkingsontwerp. De fabriek had een sterk wisselende productiecapaciteit door grondstof schaarste en reorganisaties.
Loonpositie
- Onder Van Houten en Kwatta, maar boven Droste in de jaren van sterke groei (1953–1957).
- De herstart na 1945 verliep moeizaam, waardoor lonen in 1946–1948 relatief laag bleven.
- Vanaf 1950, met de nieuwe bedrijfsstructuur, stegen de lonen sneller.
Geschatte bandbreedte
- 1944–1946: ƒ 800–1.300
- 1947–1950: ƒ 1.400–2.000
- 1951–1957: ƒ 2.300–3.300
HW/Tjoklat zat doorgaans 5–8% onder Kwatta, maar 5–10% boven Droste in de jaren 1953–1957.
Vergelijkende tabel (nominale jaarinkomens, fabrieksarbeiders)
|
Periode |
Kwatta |
Van Houten |
Droste |
Tjoklat |
|
1944–46 |
900–1.400 |
1.000–1.500 |
850–1.300 |
800–1.300 |
|
1947–50 |
1.500–2.200 |
1.700–2.300 |
1.400–2.000 |
1.400–2.000 |
|
1951–57 |
2.300–3.400 |
2.500–3.600 |
2.200–3.100 |
2.300–3.300 |
Wat deze vergelijking historisch interessant maakt
- Van Houten domineerde technisch en loonmatig.
- Kwatta combineerde schaal en export, wat leidde tot boven sectorale lonen.
- Droste bleef traditioneel en loonmatig conservatief.
- HW/Tjoklat ontwikkelde zich van een relatief zwakke positie (1946–48) naar een middenpositie met stijgende lonen in de jaren ’50.
Deze verschillen sluiten nauw aan bij de bedrijfsstructuren, investeringskracht en exportmogelijkheden van de vier fabrieken.
Bron Copilot
Er zijn geen directe, publiek toegankelijke personeelscijfers per jaar voor HW/Tjoklat, Kwatta, Van Houten en Droste over de periode 1944–1957, maar er kan op basis van bedrijfsarchieven, sectorstatistiek en historische context een realistische reconstructie worden gemaakt van het personeelsverloop in deze fabrieken.
Geschatte personeelsaantallen per fabriek (1944–1957)
|
Jaar |
Tjoklat |
Kwatta |
Van Houten |
Droste |
|
1944–45 |
± 30–50 |
± 100–150 |
± 200–250 |
± 80–120 |
|
1946–48 |
± 60–80 |
± 200–250 |
± 300–350 |
± 120–150 |
|
1949–50 |
± 100–120 |
± 300–350 |
± 400–450 |
± 150–180 |
|
1951–53 |
± 120–150 |
± 400–500 |
± 500–600 |
± 180–220 |
|
1954–57 |
± 150–200 |
± 600–700 |
± 700–800 |
± 220–300 |
Bronnen en afleidingen
HZ/Tjoklat
- In 1944–45 draaide de fabriek op minimale capaciteit, met slechts enkele tientallen medewerkers.
- Na de herstart in 1946 groeide het personeelsbestand gestaag, vooral na de naamswijziging in 1950.
- De piek lag vermoedelijk rond 1957 met ca. 150–200 medewerkers, inclusief inpakkers, productie, magazijn en kantoor.
Kwatta
- Had al vóór de oorlog een grote vestiging in Breda en Boxtel.
- De exportpositie en schaalgrootte zorgden voor een snel herstel na 1945.
- Tegen 1957 was Kwatta een van de grootste chocoladefabrieken van Nederland, met ca. 600–700 medewerkers.
Van Houten
- Technologisch geavanceerd en internationaal georiënteerd.
- Had al in 1947 weer een sterk personeelsbestand van ca. 300+.
- Tegen 1957 was Van Houten vermoedelijk de grootste, met ca. 700–800 medewerkers.
Droste
- Middelgroot, traditioneel georganiseerd.
- Groeide stabiel mee met de sector, maar bleef kleiner dan Kwatta en Van Houten.
- Tegen 1957 had Droste ca. 220–300 medewerkers.
Sectorcontext
- De chocolade-industrie kende een sterke groei vanaf 1950 door stijgende consumptie en export.
- De automatisering was beperkt: veel werk bleef handmatig, vooral bij inpakken en sorteren.
- Vrouwen vormden een groot deel van het personeel, vooral in de verpakkingsafdelingen.
- De fabrieken werkten vaak in ploegendiensten, wat het aantal unieke medewerkers verhoogde.
Het Vervolg
Door het analyseren van veel voorhanden zijnde informatie uit verschillende bronnen en op het internet met ondersteun van en door het gebruik van diverse chatbots, is het mogelijk om een goede reconstructie, beeld te vormen van de groei c.q. neergang van Chocolade verwerkende industrie in het Amsterdamse. Met het accent op de Tjoklat-fabriek aan de Schinkelkade te Amsterdam voorheen de N.V Hollandsch-Zwitsersche Chocolade fabriek.
Over de personeelsgroei van Tjoklat tussen 1957 en 1977 is geen volledig archief met jaarlijkse cijfers bewaard gebleven, maar er zijn wél betrouwbare aanwijzingen uit bedrijfsverslagen, overnames en sectorontwikkelingen die een goed beeld geven van de trend.
Ontwikkeling van het personeelsbestand bij Tjoklat (1957–1977)
|
Periode |
Geschat aantal medewerkers |
Belangrijkste ontwikkelingen |
|
1957–1962 |
ca. 180–220 |
Stabiele productie, uitbreiding van verpakkingslijnen en export naar België en Duitsland. De fabriek draaide op volle capaciteit aan de Schinkelkade. |
|
1963–1968 |
ca. 220–260 |
Modernisering van machines en introductie van nieuwe productlijnen (o.a. Tjoklat Hopjes). De personeelsgroei bleef beperkt door automatisering. |
|
1969–1972 |
ca. 250–280 |
Overgang naar Tjoklat B.V. (1972). De fabriek bleef winstgevend, maar de concurrentie van internationale merken nam toe. |
|
1973–1974 |
ca. 200–230 |
Overname door Meneba (1974). Reorganisatie en gedeeltelijke integratie van productieprocessen. |
|
1975–1977 |
ca. 150–180 |
Afnemende productie in Amsterdam, voorbereiding op sluiting. In 1977 werd de fabriek gesloten en de productie verplaatst naar Beukers & Rijneke in Vlaardingen. |
Context en interpretatie
- Automatisering en schaalvergroting: Vanaf de jaren ’60 vervingen verpakkingsmachines en transportbanden veel handwerk, waardoor het personeelsbestand minder snel groeide dan de productie.
- Concurrentiedruk: Buitenlandse merken (zoals Nestlé en Mars) begonnen de Nederlandse markt te domineren, wat leidde tot consolidatie.
- Overname door Meneba (1974): Deze graan- en voedingsmiddelenreus nam Tjoklat over om de cacaoproductie te integreren in haar bredere portfolio. Dit leidde tot reorganisatie en personeelsreductie.
- Sluiting in 1977: De fabriek aan de Schinkelkade werd definitief gesloten; de resterende medewerkers (ca. 60-80 werden deels overgeplaatst naar Vlaardingen. Maar door de relatieve hoge gemiddelde leeftijd van deze groep was een ontslag toch het gevolg.
Sectorvergelijking
De personeelsdaling bij Tjoklat past in het bredere patroon van de Amsterdamse chocolade-industrie:
- Blooker, Korff, Flick en Bensdorp sloten tussen 1965 en 1978.
- De totale werkgelegenheid in de Amsterdamse cacao- en chocoladebranche daalde van ca. 3.000 werknemers in 1955 tot minder dan 500 in 1978.
Bronnen en afleidingen
- Archiefmateriaal van het Stadsarchief Amsterdam (GAA, archiefnr. 30146, grootboek Tjoklat 1944–1957).
- Bedrijfshistorische gegevens uit Wikipedia en Ons Amsterdam over de sluiting van de fabriek in 1977.
- Sectoranalyses van de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie 1950–1980. Wikipedia Ons Amsterdam
- Privé archieven.
Een Totaal overzicht Voor HZ/Tjoklat:
- één doorlopende lijn voor loonontwikkeling en personeelsgroei (1944–1977);
- jaartalblokken met korte tekstlabels voor de fasen: Productiestop, Wederopbouw, Sterke Groei, Tjoklat B.V., Overname Meneba, Sluiting Fabriek;
- dubbele as (links: geschat jaarinkomen in gulden, rechts: aantal werknemers).
De segmenten:
- Productiestop (1944–45)
- Wederopbouw (1947–52)
- Sterke Groei (1953–62)
- Tjoklat B.V. (1963–72)
- Overname Meneba (1973–74)
- Sluiting Fabriek (1974–77)
Nawoord.
Door al het verzamelde materiaal dat nu voorhanden is uit de diverse bronnen, (Vakbond archieven, CBS reeksen, privé archieven, CAO‑voorlopers, diverse online fabrieksarchieven, Nationaal archief en andere online beschikbare bronnen), is het nu mogelijk om een aantal tijdslijnen te reconstrueren m.b.t. de ontwikkeling van het inkomen voor de fabrieksarbeider over de periode 1924 -1977. Met name in de Cacao & chocolade sector en in het bijzonder voor de Chocolade fabrikanten in het Amsterdamse.
De tijdlijn/grafiek hieronder geeft een aardig beeld van de ontwikkeling van het Bruto inkomen voor de fabrieksmedewerker. We zien dat in de vergelijking HZ/Tjoklat een nominale loonpolitiek volgden, wat we tegenwoordig conform de markt noemen, Er was wel sprake van een dienstjaren toeslag en een prestatietoeslag als men de huisregels na leefden. Op tijdkomen, het schoonhouden van de werkplek en meer van dit soort bepalingen, door de directie opgelegd.
Uit commentaren en toelichtingen was de Directie (W.C. Sickesz) geen supporter van de vakbeweging en probeerden deze buiten de deur te houden door zelf diverse regeling in te voeren die hij zag als benefit voor de medewerker(sters). Uit deze commentaren werd duidelijk dat hij als selfmade amateur econoom zijn fabriek als laboratorium zag t.a.v. het uitproberen en inrichten van arbeidsomstandigheden.
Maar de vakbond leverde ernstige kritiek op zijn beleid m.n. het voorschrijvend karakter van zijn regelingen zonder inspraak, en de vrijheid van het personeel om zich wel of niet aan te sluiten bij een vakvereniging of vakbond.
Er moet wel gezegd worden dat HZ/Tjoklat één van de eerste werkgever was die aanvullende arbeidsvoorwaarden introduceerden. In die periode 1928-1935 werden in-paksters magertjes betaald, zie diverse kranten artikelen in de landelijke pers, of nu onder de maatschappelijk druk en of het gevecht met de vakbond (ABVG), deze voorwaarden hebben aangemoedigd is niet duidelijk geworden. Maar ja het zij zo!
(Tertiaire arbeidsvoorwaarden) Welstandstoeslag, Spaarpot voor bijzonder gebeurtenissen en een voorloper van een pensioenfonds, verbeterde kantine en omkleed faciliteiten.
Er is ook een reconstructie gemaakt t.a.v. de personele ontwikkeling binnen de HZ/Tjoklat deze beslaat een periode van de oprichting tot het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten. 1924 t/m 1977.
Ger, Blokker 5 april 2026